Henk Joosen

Dup in de Bramenstraat

Weer een spannend verhaal over Dup Doeve

Dup in de BramenstraatHeb jij dat ook weleens? Zomaar op een dag – een doodgewone dag – dan gebeurt er iets. Niet iets heel bijzonders, maar wel bijzonder genoeg om je nieuwsgierig te maken. Daar kun je niets aan doen. En het vervelende is, dat je dan vaak geen kant meer op kunt. Of je wilt of niet. Je moét weten wat er aan de hand is …
Dat is precies wat er in Dup in de Bramenstraat gebeurt. Wat is dat toch met dat huis? En wat heeft Dups klasgenoot Robbert ermee te maken?

 

Illustraties: Milja Praagman

Uitgeverij: De Eenhoorn

 

Lees hieronder alvast het eerste hoofdstuk.


Paffen

Hé, Dup. Kom eens!’
Robberts hoofd steekt half boven de struiken uit. Hij staat er gewichtig bij te kijken.
Even twijfelt Dup. Robbert Brinkman is een sukkel. Altijd gedoe, altijd problemen.
‘Wat is er?’ vraagt hij toch maar. Hij schopt een kiezelsteentje weg en loopt onverschillig naar de bosjes toe.
‘Kom nu maar hier,’ zegt Robbert, terwijl zijn hoofd ritselend verdwijnt.
Gek is dat. Soms kun je gewoonweg niet doorlopen. Dup baant zich een weg door de struiken heen. Dorre bladeren verkruimelen onder zijn schoenzolen. Als hij Robbert ziet, schiet hij in de lach. 
‘Wat doe jij nou?’
Robbert trekt zijn onderlip op. ‘Tss. Roken natuurlijk. Als ik hem aansteek, dan rook ik.’
‘Je lijkt wel een afgekeurde indiaan met die pijp in je mond,’ spot Dup.
‘Niet waar,’ zegt Robbert. ‘Hij was van mijn ouwe oom Hendrik. Maar die is dood en volgens zijn testament mocht ik hem hebben. Het is een echte grotemensenpijp. Vroeger rookten alle mannen pijp. Als je dat niet deed, was je een watje. Doe je mee of niet?’
‘Waarmee?’
‘Met roken, sukkel!’
Hé! Da’s niet eerlijk. Robbert is een sukkel. Dup niet. Maar Dup vindt het wel spannend. Zo kalm mogelijk schuifelt hij wat naar voren en zegt: ‘Eerst ruiken, Bert.’
Robbert heeft er een hekel aan als mensen hem Bert noemen. Maar vandaag mag het. Want Robbert wil wat van Dup. 
Hij houdt de pijp voor Dups neus. Hij is donkerbruin. Met een krom, zwart, afgeknabbeld steeltje. De kop zit vol goudbruine tabak. Een wirwar van dunne draadjes. Het ruikt naar karamel. Best lekker.
‘Heb je vuur?’ vraagt Dup.
‘Hoe wilde je anders roken?’ zegt Robbert. ‘Zeker nog nooit gerookt, hè?’
Dat kan Robbert gemakkelijk zeggen. Hij is niet alleen een stuk groter dan Dup, hij is ook al een jaar ouder. Toch zit hij bij Dup in de klas. Vorig jaar, in groep zes, is hij blijven zitten. Hij vond juffrouw Van Geel zo leuk, dat hij besloot nog een jaar bij haar in de klas te blijven. Dat zegt hij tenminste… Maar nu heeft juffrouw Van Geel groep vier. En Robbert zit bij meester Bronkhorst. Dat is het ergste wat je mee kunt maken.
Om te beginnen heeft meester Bronkhorst een vette lok: natte haren die in een puntige krul op zijn voorhoofd liggen. Dat is niet erg hoor, zo’n lok. Misschien heeft je vader er ook wel een. Maar de lok van Bronkhorst ziet er gewoon vies uit. 
Erger nog is het dat Bronkhorst gewoon een verschrikkelijke man is. Oneerlijk, vreselijk streng en je mag niks. Je moet het eens in je hoofd halen om tijdens de les ergens mee te spelen. Hij gooit het zonder pardon in de prullenbak. En probeer het er na schooltijd niet uit te vissen, want dan zwaait er helemaal wat!
En weet je wat het ergst is? Bronkhorst is nooit ziek. Niet dat je dat iemand zou toewensen. Maar een dagje zonder Bronkhorst zou af en toe wel eens fijn zijn. Maar nee hoor, elke dag is het Bronkhorst. Dup en Robbert hebben nog nooit zo’n verschrikkelijk schooljaar gehad. En het is pas oktober…
‘Steek aan dan,’ zegt Dup. ‘Laat maar eens zien hoe goed je kunt paffen.’
Dup gaat er zo stoer mogelijk bij staan. Stiekem hoopt hij dat Robbert het niet zal doen. Maar dan blinkt er iets in het zonlicht. Een zilveren aansteker. Die was vast ook van Robberts oom.
Langzaam knipt Robbert het klepje omhoog. Dan draait hij met zijn duim aan het wieltje. Meteen springen er vrolijke vonkjes te voorschijn. Maar verder gebeurt er niks.
Dup glimlacht opgelucht. 
Robbert probeert het nog een keer. Weer vliegen de vuurspettertjes in het rond. Maar nog steeds geen vlammetje. Robbert fluistert een woord dat Dup niet kent. Hij knijpt zijn lippen tot een streepje en probeert hij het nog eens.
‘Pff,’ zegt Dup. ‘Die is leeg, joh. De groeten. Ik ben weg.’
Robbert schudt wild met de aansteker. Stom ding!
Juist als Dup zich om wil draaien, schiet er een joekel van een vlam de lucht in. Robberts wenkbrauwen vliegen nog net niet in de fik.
‘Hoezo, leeg?’ lacht Robbert. Hij zuigt hard aan de pijp, terwijl hij de vlam bij de kop houdt. Dat heeft hij zijn oom vaak genoeg zien doen. De tabak gloeit rood op. Een flinke rookwolk. De pijp brandt.
‘Makkie-pakkie,’ glundert Robbert. Hij zuigt nog eens aan het steeltje. ‘Nu jij.’ Zijn stem klinkt benepen. Alsof zijn keel wordt dichtgeknepen.
‘Zo moet je niet roken,’ beslist Dup. ‘Je blaast die rook meteen weer uit. Dat kan iedereen. Rook moet je inslikken. En als je dan praat, komt er de hele tijd rook uit je mond. Net als bij mijn oom Karel. Dat is pas roken.’
Robbert zet aarzelend de pijp opnieuw aan zijn mond. Hij wil zich niet laten kennen. Opnieuw zuigt hij hard aan het mondstuk. Weer wordt de tabak roodgloeiend.
Wat er daarna precies gebeurt, weet Dup niet, maar plotseling kronkelt Robbert over de grond. Hij is knalrood en blaft als een hese teckel. Rook ontsnapt uit zijnmond en uit zijn neus. Misschien ook wel uit zijn oren. Met gebalde vuisten trommelt hij op de grond. De wormen schrikken zich vast rot.
En dan… laat Robbert een enorme wind. Hij grijpt naar zijn achterste en roept: ‘Gatver!’ Meteen daarna zet hij het op een lopen.
‘Hé, Robbert,’ roept Dup hem nog na. ‘Je vergeet je pijp!’


Dup in de Bramenstraat

Bestel het boek:

ISBN: 9789058386663 

FacebookLinkedIn